Kortgeleden ging ik op vliegvakantie, met een cheap-ass vlucht ver van mijn woonplaats. Parkeren-en-vliegen was daarom de beste optie, en ik kan niet anders zeggen: dat parkeren werkt tegenwoordig supergestroomlijnd.
Een week of wat van tevoren online boeken, netjes een bevestiging in de mail en daags voor vertrek een keurig appje met de exacte routebeschrijving, verwachte aankomsttijd—zelfs het merk en de kleur van mijn auto stond genoemd.
Toen ik bij het gesloten hek van de parking kwam aanrijden, stond er dan ook niet geheel onverwacht op het display: “Welkom Dhr. Vincent Bouwman.” Zonder iets te doen schoof het hek open. Koninklijk. En daar stopte het pamperen niet. Precies toen ik het terrein afliep en me wilde afvragen waar het vliegveld nu eigenlijk was: pling pling—een appje van de parkeerdienst met daarin de wandelroute van de parkeerplaats naar de vertrekhal. Zeven minuten. Helemaal top.
Een week later kwam ik terug. Deze keer niet in de middag, maar laat op de avond. Het donkere, verlaten industrieterrein deed deze keer ineens een stuk spannender aan. Met mijn versnelde pas stond ik in krap vijf minuten bij het hek van de parking.
Alleen ging het hek nu niet vanzelf open. Geen “Welkom Vincent Bouwman”. Ik voelde de spanning in mijn lijf verder toenemen. Even chillen nu. Na een diepe ademhaling keek ik om me heen en zag ik naast het hek een toegangsdeur met daarop een paneeltje met negen cijfers—overduidelijk bedoeld om het hek te openen.
“Fok… waar heb ik die code gemist?” Koortsachtig zocht ik door appjes en mails op mijn telefoon. Maar geen code. Geen mail, geen app—nada.
Dan maar bellen met het calamiteitennummer en wat schaamte pakken voor mijn slordige gedrag. Ik hoorde het keuzemenu al door de telefoon toen er ineens door me heen schoot: misschien moet je even naar die deur toelopen en proberen of hij opengaat.
De deur bleek gewoon open. Problem solved. Binnen een paar minuten zoefde ik heerlijk over de snelweg, op weg naar mijn warme, knusse huisje.